
Vandaag is mijn laatste tante gestorven, de jongste van het dertien kinderen tellende gezin waarvan mijn moeder nummer vijf was. Geloof ik. Nummer vier of zes kan ook. In de prille jeugd van mijn tante beweerden artsen dat ze het niet lang zou redden. Zaten zij er flink naast. Met haar bijna 92 is ze de oudste van het hele gezin geworden.
Het is ook gedaan met de bezoekjes aan Oisterwijk, het dorp waar ze haar hele leven gewoond heeft. Zij babbelde gezellig over van alles en nog wat en ik luisterde. Ik kwam er toch niet tussen, al zou ik willen. Soms lunchten we in een restaurant op De Lind en diste mijn tante verhalen op over vroeger.
Ooit had ik 19 ooms en tantes van mijn moeders kant en 13 van de kant van mijn vader. Aan geboortebeperking deden mijn opa’s en oma’s niet. De pil moest nog worden uitgevonden en het mocht niet van meneer pastoor. Waar mijn vader en zijn familie vooral zwijgzaam en ingetogen door het leven gingen, kwebbelden en lachten mijn moeder en haar broers en zussen er (vaak tegelijk) flink op los. Wanneer ze met z’n allen bij ons thuis waren voor een feest, rinkelden de ruiten in hun sponningen.
Het cliché luidt dat je pas iets mist als het er niet meer is. Dat klopt ook nu. Want ik mag dan nog zo’n 30 neven en nichten hebben (een aantal dat trouwens gestaag daalt, want wij worden er ook niet jonger op), met de meeste heb ik geen contact.
Het allerlaatste familiedraadje met de generatie van mijn ouders is doorgeknipt. En dat maakt dat ik me totaal onverwacht ineens opnieuw een beetje verweesd voel.