Isabel

1. 8 juli 2019

Isabel had spijt van de goedkope vlucht die ze had geboekt. Hierdoor had ze een urenlange tussenstop in het Midden-Oosten moeten doorstaan zonder dat ze het vliegtuig had mogen verlaten. Haar rug deed pijn van het lange zitten, haar linker bil was net wakker geworden en haar knieën en polsen schrijnden.

    Afgelopen nacht was ze op weg van het toilet naar haar zitplaats gestruikeld. Een man aan het gangpad had zijn stelten van benen uitgestrekt en zij had ze niet kunnen ontwijken. Ze was op haar knieën gevallen en op haar polsen verder gegleden, totdat haar hand achter de in een wandelschoen verpakte voet van weer een andere slapende man met lange benen was blijven steken. Er waren een paar stevige vloeken aan haar lippen ontsnapt. De man met de wandelschoenen had haar overeind geholpen en met een sussende stem – alsof Isabel een schrikachtig kind was – met veel omhaal excuses aangeboden. Hij dacht dat ze over zijn benen was gekukeld. De veroorzaker van de val, een grote blonde man, had zijn hoofd om de rugleuning gestoken en haar met een slaperige en tegelijk geamuseerde uitdrukking op zijn gezicht opgenomen. Isabel had zich afgevraagd of hij een grap doorhad die zij niet snapte. Ze had hem in scherpe bewoordingen aangeraden op lange vluchten voortaan een stoel bij het raam te nemen, zodat argeloze medereizigers niet bang hoefden te zijn hun nek over zijn poten te breken. Zonder zijn reactie af te wachten, was ze terug naar haar plaats gegaan.

    De rij voor de douane was lang. Er zijn nog honderdnegentig wachtenden voor u. U wordt zo spoedig mogelijk geholpen. Ze keek naar de ingedroogde vetvlek op haar T-shirt, een herinnering aan de macaroni die ze in het vliegtuig had gekregen. Waarom was er altijd turbulentie als je zat te eten? De airconditioning in de aankomsthal stond op diepvriesstand. Ze rolde de mouwen van haar vest omlaag en rook het zweet en de scherpe lichaamsdampen van Indiase omstanders die hun maaltijden graag met pittige kruiden en specerijen oppepten.

    Ze keek om zich heen. Dit was niet een van de filmpjes of documentaires over Mumbai die ze de afgelopen tijd op tv en YouTube had gezien. Het was een interactieve 3D-film met haar in een van de hoofdrollen. Wanneer ze iemand aankeek en glimlachte, kreeg ze een glimlach terug, of de ontvanger van haar genegenheid meende dat ze tegen iemand anders vriendelijk was en spiedde onzeker om zich heen. In de rij naast haar stond een man met een rugzak vol slijtplekken en een gedeeltelijk met ducttape afgeplakte scheur.

    Ze dacht aan de dag dat Nik met twee rugzakken aan was komen zetten. Hij vond dat ze reizigers moesten worden. Toeristen gebruikten koffers, reizigers namen genoegen met een rugzak, beweerde hij. Waarom ze naar reizigers moesten worden opgewaardeerd, had ze haar man – inmiddels ex-man – gevraagd. En wat het verschil was tussen een toerist en een reiziger. Een toerist bezocht bekende bezienswaardigheden en maakte kiekjes en selfies, reizigers waren op zoek naar ervaringen en bijzondere bestemmingen die toeristen links lieten liggen, had Nik vol overtuiging verklaard. Uiteindelijk had hij de rugzakken teruggebracht naar de winkel en waren ze zoals ieder jaar met een koffer vertrokken. Bij nader inzien vond Nik een rugzak te onhandig.

    Nog iets van vijftig wachtenden. Twintig. Drie. Met een knie schoof ze haar koffer een stukje naar voren. Ze zocht naar de reisgids in het rugzakje dat ze in het vliegtuig als handbagage bij zich had gedragen, totdat ze zich herinnerde dat ze het boek in het opbergvakje van de stoel ervoor had laten zitten. Nu moest ze zo snel mogelijk een nieuwe gids kopen met handige plattegronden en nuttige tips. Iemand stootte met zijn bagagekarretje tegen haar schenen. En nog eens. Ze draaide zich om en herkende de dader als de mannelijke helft van het echtpaar dat naast haar in het vliegtuig had gezeten. Hij maakte een verontschuldigend gebaar, zette een stap zijwaarts en begon in het Indiaas tegen zijn vrouw te jeremiëren.

    Eindelijk vroeg een douanebeambte met een zwarte tulband en een opgerolde baard die als een carnavalsmasker met elastiekjes achter zijn oren vastzat naar haar paspoort. Hij inspecteerde het document grondig, gaf het terug en knikte als teken dat ze India in mocht. Ze liep de grote aankomsthal in. Een scherm toonde de buitentemperatuur: 33 graden.

    De man die naast haar in het vliegtuig had gezeten, tikte op haar schouder. ‘U zei in het vliegtuig dat uw hotel in de wijk Fort ligt, nietwaar?’

     ‘Dat klopt.’

     ‘Mag ik u een lift aanbieden om mijn gedrag van zojuist een beetje goed te maken?’ Zijn vrouw knikte instemmend.

     ‘Graag. Wat aardig van u.’ Isabel had hoofdpijn en honger en snakte naar een verkwikkende douche. Ze volgde het echtpaar van middelbare leeftijd naar een parkeergarage. Op de bovenste verdieping stapte ze achterin een Lexus met getint glas. Drommen mensen liepen op de straten parallel aan de snelweg naar het centrum van Mumbai. Of ze zaten op een fiets, in een kar achter een paard of met zijn vieren op een scooter. Een dozijn kinderen zat opeengepakt in de laadbak van een kleine vrachtwagen. Allemaal in een levensgroot decor van kleuren en versieringen dat overweldigender was dan wat ze in boeken, op foto’s, tv en YouTube had gezien. Ze keek naar jongelui in spijkerbroek en T-shirt, moslimvrouwen in salwar kameez, de traditionele oversized jurken, en hindoevrouwen in sari, een lap stof die ze om zich heen hadden gewikkeld en waarvan het uiteinde over hun schouder was geslagen. Ze zag mannen in pak of traditionele dhoti, een witte lap stof die om hun taille zat geknoopt en tot aan de enkels reikte.

    Op de voorbank van de auto plukte de vrouw een pluisje uit het dunne, grijzende haar van de man die, onderuitgezakt en met één hand, aan het stuur zat. Ze ratelde woorden op een toon die een moeder aansloeg wanneer haar kind iets had uitgevreten waar ze niet blij mee was. De man mompelde iets terug, ging rechtop zitten en hield het stuur met beide handen vast.

    De auto stopte langs de weg. ‘Het spijt me,’ zei de man, ‘rond deze tijd van de dag staat het verkeer hier overal muurvast en wij gaan een andere kant op. Gelukkig rijden er overal taxi’s.’

    ‘Bedankt voor de lift.’ Isabel was amper vanuit de prettig koele auto in de onaangename hitte van buiten beland, toen haar mouw werd vastgepakt door een graaiende hand die vastzat aan de magere en ongewassen arm van een man. Hij vroeg om iets. Aan de armzalige toestand van de rest van zijn lichaam te zien, moest het geld of eten zijn. Bij een tweede blik zag ze dat hij geen tanden had en ze kon zo gauw maar één been ontdekken. Ze bevrijdde zich uit zijn greep en keek hem verontschuldigend aan. Hij hield zich staande met een krakkemikkige kruk die ooit door een onhandige knutselaar in elkaar moest zijn geflanst. En hij rook naar urine. Ze wrong zich door een klont mensen die een kakofonie van mechanisch, elektronisch en organisch geproduceerde geluiden voortbracht en omgeven was door een geurmelange van armzalige persoonlijke hygiëne en citrusvruchten. Het contrast met het rustige dorp waar Isabel woonde – omgeven door weilanden, bos, heide en vennen – kon niet groter zijn. Voorbij de klont mensen werd het rustiger. In de verte klonk gerommel van naderend onweer, maar dat kon ook een trein op een viaduct zijn of haar maag. Ze hield een taxi aan en gaf het adres van het hotel. De bestuurder smeet haar koffer in de achterbak en kroop achter het stuur. ‘Een paar minuten, ma’am,’ zei hij toen ze vroeg hoelang de rit naar het hotel zou duren. Wanneer hij rechtsaf wilde, stak hij zijn arm uit het raam en was het een zaak van leven of dood om zijn Toyota door het verkeer te manoeuvreren. In een tijdsbestek van vijf minuten stierf en herrees Isabel vier keer. Na een gil van doodsangst toen de taxi tijdens een inhaalmanoeuvre op het nippertje kon uitwijken voor een tegemoetkomende vrachtwagen, zei de chauffeur op een toon die haar gerust moest stellen maar dat niet deed, dat hij al meer dan vijftig jaar taxichauffeur was en de kunst van autorijden volledig beheerste. Hij hing over het stuur gebogen als een maniak die een snelheidsrecord wilde vestigen, of hij was een kamikazepiloot die haar onherroepelijk de dood mee wilde insleuren. Ze besloot niet langer op de weg te letten en richtte haar aandacht op het dashboard dat met tape en touw aan elkaar hing. Om de man niet verder op te fokken, liet ze het uit haar hoofd de verontrustende staat van de auto ter sprake te brengen. Ze passeerden een grote witte kerk en bouwsels die zelfs de benaming krot onrecht aandeden en belandden in een file. Even later rees een kolossaal gebouw op. De overdadige architectuur was sfeervol verlicht.

    ‘Chhatrapati Shivaji Terminus,’ zei de taxichauffeur vol trots, alsof hij het treinstation hoogstpersoonlijk had gebouwd. ‘CST in het kort.’ Hij kende de weg naar het hotel minder goed dan hij had beweerd, een kwartier later reden ze opnieuw langs het treinstation.

    ‘Het was toch een ritje van een paar minuten?’ vroeg Isabel.

    ‘Nog hooguit een minuut, ma’am.’

    Twintig minuten later draaide hij een smalle, rommelige en drukke straat in en reed het kleine parkeerterrein van een gebouw van vier verdiepingen op. Aan de gevel bescheen een lamp een bord met de tekst ‘Hotel Bhagyashree Mukhopadhyay.’ Drie sterren glansden op een emaillen plaatje aan de muur naast de deur. Isabel duwde het autoportier open en werkte zich naar buiten. De chauffeur laadde haar koffer uit. Ze vroeg hem naar de ritprijs. Hij krabde hoorbaar aan zijn fragmentarisch begroeide kin en noemde een belachelijk hoog bedrag. Het was haar ontschoten dat je een taxi met een werkende meter moest nemen. Was die er niet – zoals nu – dan kon je van tevoren maar beter een prijs afspreken om ontsteltenis – zoals nu – te voorkomen. Ze was te uitgeput om met hem in discussie te gaan. Ze had nog geen roepies gepind en betaalde het bedrag in euro’s. Hij hanteerde een ongetwijfeld ongunstige wisselkoers, maar ook daar wilde ze zich niet druk om maken. De chauffeur verdween de Toyota in en scheurde weg, ongetwijfeld op zoek naar meer onnozele toeristen die hij een poot kon uitdraaien.

    Ze had een droge mond en een keel die bij het slikken aanvoelde alsof er zand in zat. Het was donker en nog steeds zo heet dat haar kleding voelde alsof ze ermee in bad had gelegen. Zweet druppelde van haar slapen.

    Medewerkers van de tandartspraktijk waar ze werkte, moesten hun vakanties voor het hele jaar in januari vastleggen. Verzetten was uitgesloten, haar collega tandartsen waren twee morsige dictators die geen tegenspraak duldden. En dus had Isabel alleen nog de maand juli tot haar beschikking gehad. Isabels overbuurvrouw Saskia – tevens een van haar beste vriendinnen – had een paar jaar eerder een backpackervakantie door India gemaakt en daarbij ook Mumbai aangedaan. Ze had Isabel gewaarschuwd dat het in die maand smerig heet kon zijn en dat juli midden in het regenseizoen viel. Ze had een schrikbeeld geschetst van muskieten, modder, overstromende riolen en straten en dampende hitte. Isabel wist dat Saskia kon overdrijven. Wanneer ze samen naar een film gingen, verzon Saskia voorafgaand de meest absurde verhaallijnen die nooit uitkwamen. Isabel had zich dan ook niet laten ontmoedigen door Saskia’s voorspelde hedendaagse zondvloeden en was ervan overtuigd dat het allemaal wel zou meevallen. De dampende hitte had Saskia alvast niet overdreven.

    Isabels knieën trilden van moeheid, honger en dorst. Er kwam geen kruier naar buiten om haar koffer over te nemen en binnen ontbrak een zacht tapijt om het geluid van haar slepende, zware voetstappen op de stenen vloer te dempen. Op de vensterbanken van de hoge openstaande ramen in de lobby stonden koperen houdertjes waarin wierook brandde. Ze trok haar vest uit en snoof het aroma op dat wedijverde met de etensgeuren die vanaf de straat haar neus binnendrongen. Haar hoop op flessen drinkwater vervloog toen ze de lege koelvitrine opmerkte. Ernaast stond een boekenkast waaraan een stuk papier was geplakt met de woorden: free books. Take one, leave yours. Ze pakte een tweedehands reisgids van Mumbai met meer plattegronden en informatie dan de gids die ze in het vliegtuig had laten liggen. De rechterbovenhoek van de kaft was eraf geknipt. De informatie in het boek was vast te googelen, maar ze had een voorkeur voor papieren boeken waarin ze opmerkingen kon krabbelen en waarvan ze hoekjes van pagina’s met belangrijke of bijzondere informatie kon omvouwen. Het leuke was dat de vorige eigenaar hetzelfde had gedaan. Ze las too fucking crowded naast een alinea over Crawford Market. In een andere kast stonden behalve nieuwe boeken ook notitieboekjes met zijden en fluwelen kaften waarop islamitische wiskundige figuren of bloemen en vogels waren geborduurd. Ze haalde er een uit met gestileerde turquoise fantasievogels op een zwarte zijden ondergrond. Hierin zou ze alle bezienswaardigheden die Felicity in het dagboek had genoemd noteren, bezoeken, afvinken en eventueel voorzien van opmerkingen. Ze pakte een adreskaartje van het hotel uit een bakje. Hotel Bhagyashree Mukhopadhyay was haar aangeraden door Saskia. Goed en goedkoop, had ze gezegd. Isabel had nog niet de moeite genomen om de naam uit haar hoofd te leren en stopte het adreskaartje in de reisgids. Ze stapte op de receptionist af. Aan de muur achter hem hing een foto van een jonge vrouw in een lichtgekleurde sari. Ze droeg opvallende sieraden in haar neus en oren. De receptionist, die volgens het naamplaatje op zijn borst M. Shankar heette, zag haar naar de foto kijken. ‘De vrouw van de hoteleigenaar,’ verklaarde hij ongevraagd. ‘Een toonbeeld van schoonheid, nietwaar? Begrijpelijk dat hij het hotel naar haar heeft vernoemd.’ De telefoon rinkelde en meneer Shankar nam zijn tijd de oproep te beantwoorden. Met de opvallend lange nagel van zijn pink peuterde hij in een neusgat, terwijl hij in het Indiaas op formule-1 snelheid sprak. Zodra hij het gesprek had beëindigd, keerde hij zich naar Isabel toe en begroette haar alsof ze oude bekenden waren. Isabel gaf hem haar paspoort. Hij typte haar naam in een iMac-computer.

    Op de balie prijkten souvenirs uit alle windstreken. Een stenen Boeddha met een barst. De Amerikaanse vlag naast een Egyptische kat die een stukje van een oor miste. Een Delfts blauw Hollands huisje van KLM.

    ‘Cadeautjes van tevreden gasten?’ vroeg Isabel.

    Hij schudde het hoofd. ‘Vergeten of bewust achtergelaten. Je vindt ze ook op de kamers.’

    Ze pinde het bedrag voor het notitieboekje en vroeg of ze geld kon wisselen.

    ‘Helaas,’ zei meneer Shankar. Hij pakte een knalroze linnen tasje met rits en opschrift Fiona’s Fashion uit een lade onder de balie en borg het notitieboekje en de reisgids erin op. Ze vroeg hem naar de dichtstbijzijnde pinautomaat. Hij gaf de namen van een paar grote hotels in de buurt en zei dat ze ook op het CST-treinstation terechtkon. Hij wierp haar een beroepsmatig aangeleerde glimlach toe en keek haar toen aan met een vaderlijke blik. ‘Je kan hier beter niet in je eentje in het donker door stille straten lopen. Voor zover die er zijn, de meeste zijn dag en nacht afgeladen.’ Hij schaterde.

    ‘Dat ben ik zeker niet van plan.’

    ‘Sanjay,’ riep meneer Shankar. Een knul van een jaar of veertien schoot vanuit een ruimte achter de receptie tevoorschijn en kreeg de opdracht haar koffer naar de kamer te brengen. Isabel wilde protesteren dat de bagage te zwaar was voor zo’n tengere jongen, maar Sanjay pakte de koffer en draafde zonder schijnbare moeite de trap op naar de eerste verdieping. De lift was defect. In de kamer zette hij de Samsonite op de grond, stak zijn hand naar haar uit en keek haar hoopvol aan.

    ‘Ik heb nog geen roepies,’ zei ze.

    ‘Dollars? Euro’s?’

    Ze pakte de portemonnee uit haar rugzakje en gaf hem vijf euro. Idioot veel, maar ze had geen kleingeld. De kamer was eenvoudig ingericht en schoon. Op het eerste gezicht zag Isabel geen muizen of geleedpotigen over de vloer rennen en nergens lagen uitwerpselen die op de aanwezigheid van ongedierte konden wijzen. De ruime kamer lag aan het einde van een gang en had aan twee kanten ramen. Aan de linkerkant keek ze uit op de weg en een paar afgrijselijke hedendaagse blokkendozen van – even tellen – acht verdiepingen. Rechts lag een tuin die aan drie kanten was omgeven door sfeervolle oude huizen. Veel vensters waren verlicht. Silhouetten bewogen door kamers, over de balustrade van een paar balkons hing wasgoed. Boven de twee bedden – gescheiden door een nachtkastje – hingen muskietennetten.

    Ze duwde het raam open. Een zachte bries streelde haar klamme huid. De avondlucht zoemde van insectengeluiden, in de tuin onder haar glinsterde een door maanlicht beschenen vijver. De geur van jasmijn dreef de kamer in. In de kamer stonden een tafeltje en twee stoelen, op het tafeltje een waterkoker, twee mokken en twee glazen in cellofaan. Aan de muur boven het lampje op het nachtkastje tussen de bedden hing een foto van Mahatma Gandhi. Vanachter de brillenglazen keken de ogen haar beminnelijk aan. Ze hing haar vest en het doorweekte T-shirt over de rugleuning van een van de stoelen. De fan aan het plafond verplaatste nauwelijks lucht en ze zette hem op een hogere stand. Een bontgekleurd plastic beeldje van Ganesha sierde het nachtkastje naast haar bed. De god met het olifantenhoofd had een brandwond op de slurf, aan de vorm en grootte te zien het gevolg van aanranding met een brandende sigaret.

    Isabel pakte de koffer uit en legde en hing haar kleding in de kast. Op een van de planken was een kluisje gemonteerd, ernaast lag een verrekijker. Ze nam een koude douche – warm water was er niet – en hing de handdoek over een uitgebeten houten rekje in de hoek van de badkamer. Op de kamer trok ze schone kleren aan en pakte het rugzakje. Het viel haar op dat een van de naden was gescheurd. Ze haalde haar spullen eruit en stopte ze in het roze tasje. Het dagboek legde ze op het nachtkastje naast het raam.

Scroll naar boven