Eerste druk: oktober 2021

© Hedwig Meesters

ISNB: E-BOEK: 978-94-6217-999-8

Van dit boek is tevens een luisterboek verschenen

Uitgever: Davey Jones Publishing, Prinsenbeek, The Netherlands, www.daveyjonespublishing.nl

29 december

1.

Jaap Schot trok de voordeur van hotel Duinzicht open en stapte over de granieten drempel waar gasten al bijna twee eeuwen overheen liepen. In de lobby zaagden, boorden en schuurden werklui erop los, met een hoop stofwolken en rondvliegend zaagsel en cement tot gevolg. Hij duwde de deur van het kantoor achter de balie open, waar Remco en Chantal Adams tijdelijk woonden. Het was de enige ruimte die de brand ongeschonden had overleefd, omdat het in een uitbouw zat. Chantal en Remco sliepen op een opklapbed in een hoek. Twee weken geleden moesten ze de deuren van het hotel sluiten, nadat een dronken gast midden in de nacht met een brandende sigaret in zijn hand op de bank in de lobby in slaap was gevallen. Het was een wonder dat er geen doden waren gevallen en dat alleen de roker naar het ziekenhuis werd afgevoerd met brandwonden en omdat hij rook had ingeademd. Het alarm had de gasten van de twintig kamers met schril gepiep gewekt, waardoor ze allemaal op tijd het hotel hadden kunnen verlaten. De lobby en een deel van de twee erboven gelegen verdiepingen hadden brand-, rook- en waterschade opgelopen. Ook de privévertrekken van Remco en Chantal op de eerste verdieping moesten worden opgeknapt. Het ergste was dat ze de boekingen voor eind december, van oudsher een drukke tijd, hadden moeten annuleren. Op kerstavond had Jaap in de supermarkt gezien dat het stel pasta, rijst en blikjes groente in hun mandje legde en producten die met korting werden verkocht omdat ze bijna over de datum waren.

      Remco zat gebogen over een opengeslagen ordner. Stapels papier lagen op de tafel, ertussen stond een pak hondenbrokken. Over een van de vier stoelen hingen kleren, op het elektrisch kookplaatje waren vuile pannen opgestapeld. Chantal was bezig met de afwas, poedel Jubel lag in zijn mand naast het aanrecht. Hij kwispelde naar Jaap.

      ‘Ik denk dat we de boel binnenkort al kunnen openen,’ zei Remco nadat ze elkaar hadden begroet. ‘Volgens de aannemer ziet het er allemaal erger uit dan het is.’

      In de hal ging iemand met een boor aan de gang.

      ‘Ook al zou je dat nu nog niet zeggen,’ zei Chantal. ‘Wat kunnen we voor je doen, Jaap?’

      Jaap twijfelde of hij met zijn voorstel voor de dag zou komen. Hij was bang dat hij het stel er te veel mee zou confronteren. Voor de brand had Remco een paar keer gezegd dat ze Jaaps huis wilden kopen om er zelf te wonen, zodat ze hun privévertrekken in het hotel in twee luxe suites konden veranderen. De brand had ze een flinke financiële tegenslag opgeleverd, waardoor ze nog een tijd in Duinzicht moesten blijven wonen. Jaap besloot het er toch op te wagen. ‘Ik ben aan de late kant met mijn aanbod, maar wat zouden jullie ervan vinden om bij mij te bivakkeren totdat jullie privévertrekken weer aan kant zijn? Je wordt hier toch helemaal gek van de rommel en het lawaai?’

      Remco keek hem glimlachend aan. ‘Dat valt mee. Overdag helpen we zo veel mogelijk mee en ’s avonds is het hier doodstil, zo zonder gasten.’

      ‘Het is tof dat je het aanbiedt,’ zei Chantal, ‘en ik denk dat we er zeker op in zouden gaan als het werk nog weken zou duren, maar vanavond kunnen we zelfs alweer boven wonen. We hebben onze kamers als eerste laten aanpakken.’

      Ergens ging een telefoon. ‘Waar heb ik dat ding gelaten?’ Remco rommelde tussen de paperassen op de tafel en negeerde dat hij daarbij een stapeltje brochures omver stootte. ‘Hebbes.’ Hij keek op het scherm. ‘Ah, hem heb ik net nodig. Goedemorgen, Fred.’

      Jaap pakte een van de brochures. Op de omslag daalden een vrouw met een strandtas en een jongetje met een rode emmer de brede stenen trap af. Een witte pijl met zwarte letters, Strand 300 meter, wees de richting. Remco begon tegen Fred over verf.

      Chantal hing de theedoek over een stoelleuning. ‘Heb je zin in koffie? Ik ga zo een verse pot zetten.’ Ze hield de kan onder de kraan en schonk hem daarna leeg in het reservoir van het koffiezetapparaat dat op een ladekastje stond. Daarna zette ze de kan op het warmhoudplaatje. De binnenkant van de kan was bruin uitgeslagen, op de bodem zat een aangekoekte laag bijna zwarte prut.

      ‘Die koffie komt wel een ander keertje,’ zei Jaap. ‘Ik bedenk me net dat ik nog iets dringends te doen heb.’

2.

Chantal Adams pakte een tube van de tafel. Langzaam wreef ze de crème in haar handen. Kloven en roodheid. Dat kreeg je ervan als je wekenlang met schoonmaakmiddelen in de weer was omdat iedereen met roet, gruis en andere rotzooi het kantoor binnenliep. Niet alleen hing de verbouwing als gevolg van de brand haar de keel uit, ook met haar baan als receptioniste en hotelsloof zat ze in haar maag. Sinds Remco en zij vorig jaar het hotel hadden gekocht, was de verkoopopbrengst van hun vorige huis, net als al hun spaargeld, in het opknappen van het hotel gaan zitten. Remco had zijn baan als hotelmanager bij een hotel in Vlissingen opgezegd, zelf was ze gestopt als financieel medewerker bij de gemeente Veere. Zodra ze genoeg geld hadden, konden ze extra personeel inhuren. Ze hadden twee kamermeisjes in dienst en twee medewerkers die het ontbijt verzorgden. Lunch en diner waren toekomstmuziek. Naar een salaris voor hunzelf konden Remco en zij voorlopig ook fluiten. Het was nu al flink sappelen om de dagelijkse boodschappen te betalen.

      Is dit alles? vroeg ze zich af. Ze moest niet zeuren. Het kwam allemaal in orde. Ze moest geduld hebben tot de schade was verholpen en er gasten zouden komen.

      Jubel kwam onder de tafel vandaan. Chantal pakte haar jack en de hondenriem van de kapstok en trok de deur naar de lobby open. Jubel wrong zich langs haar benen. Hij sprintte naar de deur en nam de bocht te scherp, waardoor hij uitgleed en met een bonk tegen een muur terechtkwam. Ergens jankte een boormachine. Haar blik botste op een gereedschapskist waar iedereen zijn nek over kon breken. Aan het einde van de middag zouden ze eindelijk in hun opgeknapte privévertrekken kunnen. Naast de trap die er naartoe leidde, stond een stenen kaarsenhouder onder een laag stof. Remco vond hem mooi. Van haar mocht hij verdwijnen.

      ‘Tot straks,’ riep ze in de hal naar Remco, die met een doek het bolvormige ornament aan de eindstop van de trapleuning stond te boenen. Een van de werkmannen duwde een karretje met schoonmaakspullen in de werkkast onder de trap.

      ‘De afvoer van het putje in de kast loopt niet door,’ zei ze.

      ‘Staat op mijn lijstje.’

      Remco wenkte haar. ‘De suiker en koffiemelk zijn bijna op,’ zei hij fluisterend.

      Een paar meter van hen vandaan hielden twee mannen pauze, in hun knuisten een kartonnen bekertje met koffie.

      ‘We hebben nog maar een paar euro en die ga ik niet uitgeven aan suiker en melk. Jullie moeten je koffie maar zwart drinken. Ik begin me zo langzaamaan zorgen te maken, Remco. Als er niet snel iets binnenkomt, moeten we bloembollen gaan eten.’

      ‘Met een snufje peper en zout is dat best te doen.’

      ‘Spot er maar mee.’

      ‘Het eind is in zicht. Op 3 januari kunnen we weer open en we hebben al een paar boekingen, waarvan een voor een week.’ Hij wijdde zich opnieuw aan het ornament.

      Chantal deed Jubel aan de riem en ging naar buiten. Ze laveerde tussen de haveloze sneeuwpoppen naar het bos tussen de duinen en de Rondweg. Er stond te veel wind om een strandwandeling te maken en dus besloot ze de gele route in het bos te volgen, een rondwandeling van drie kilometer. In het bos kneep Jubel er meteen tussenuit, happend en proestend baande hij zich een weg door de sneeuw.

Scroll naar boven