1. Het kinderfeestje

Gijs de Wild is geestelijk nooit volwassen geworden. Ik neem de twee stukken van de kaart in mijn handen. Een uitnodiging voor een kinderfeestje. Dat zegt genoeg. Donald Duck kijkt me aan vanuit een auto die eruitziet alsof hij van marsepein is gemaakt. Boven zijn snavel hangt een tekstballon. Hoi Kittekat, staat er in Gijs’ handschrift, dat ik herken van de keren dat ik hem hielp met zijn huiswerk. Alleen al door het zien van die achterover hellende letters komt een warreling van beelden in me naar boven. De broek met lappen op de knieën die hij van zijn moeder moest dragen wanneer we in bomen gingen klimmen. Ik durfde altijd hoger. De wandelingen door het bos, langs weilanden of in het dorp, onze voeten in hetzelfde ritme, alsof we oefenden voor simultaanlopen. Gijs hield zich niet in voor mij, ik hoefde me niet in te spannen om hem bij te benen. Onder de aanhef op de uitnodiging staat in zwarte drukletters kom je ook naar mijn feestje? De kaart ziet eruit alsof hij jaren in een lade heeft gelegen, vergeeld en met een ezelsoor aan een van de hoeken. Toen Gijs een jaar of tien werd, duwde hij me een uitnodiging voor zijn verjaardag in de hand. Misschien net zo een als deze. Ik was de enige die kwam opdagen. Gijs blonk niet uit in het aanknopen en onderhouden van vriendschappen. Omdat ik wat dat betrof uit hetzelfde hout was gesneden, zochten we elkaars gezelschap, denk ik. Ik houd de stukken tegen elkaar. Over het gezicht van de eend, tussen de woorden naar en mijn, loopt de scheurlijn zodat er nu naar jn feestje staat. Linksonder staan Gijs’ naam, de datum en de locatie. 21 juni om 20.30 uur in het huis van zijn ouders. Dat is morgen. Zijn ouders komen rond die tijd thuis, de frituur sluit door de week om acht uur.

      De uitnodiging kwam vorige week. Hij lag op de mat – eronder staken de bovenste helft van het huis-aan-huisblad uit en een deel van de bonusaanbiedingen van Albert Heijn, wat niet zou moeten omdat er een sticker op de brievenbus zit die aangeeft dat ik geen ongeadresseerd drukwerk wil ontvangen – en viel op door de lichtblauwe envelop waarin hij zat. Op de voorkant stond Uitnodiging! In de hoek waar normaal gesproken een postzegel zit, was met de hand een smiley getekend. Ik vroeg me af van wie hij kwam. In ons dorp wonen tientallen gezinnen met kleine kinderen en met geen van de ouders heb ik uitgebreider contact dan een achteloos ‘hoi’ wanneer we elkaar op straat tegenkomen. Ik raapte de post van de deurmat, nam hem mee de kamer in en draaide de luxaflex dicht zodat de zon wist dat ik geen behoefte aan hem had, een variant van de brievenbussticker voor ongewenste post. In mijn stoel bij het raam las ik de naam van de afzender en scheurde de kaart in tweeën. Een reactie die me nog steeds verbaast. Gijs en ik hebben elkaar al jaren niet gezien. Ik denk dat ik boos ben omdat hij zich opnieuw zo nadrukkelijk in mijn bewustzijn heeft genesteld. Omdat hij terug is in het dorp dat hij verliet om het in Amsterdam helemaal te gaan maken, met alleen maar mooie mensen om zich heen.

      Hij wil iets. Waarschijnlijk geld. Ongetwijfeld hebben zijn ouders hem verteld van het fortuin dat ik vorig jaar van oom Tom heb geërfd. En dat ik terug ben in mijn geboortehuis. Een andere reden om contact met me op te nemen, kan ik niet bedenken. En waarom is hij niet langsgekomen om me persoonlijk uit te nodigen? Waarschijnlijk omdat hij nog steeds dezelfde sukkel is als vroeger.

 

2. Zonnemeisjes

We zaten tegenover elkaar aan de tuintafel. Papa rookte de ene sigaret na de andere. Dat kwam niet alleen omdat mama boven een paar uur bezig was met het krijgen van een baby. Het lag ook aan papa’s werk. Hij moest veel leren en lezen. Mama zei dat hij over een tijdje weleens de jongste directeur van de bank kon worden. Overdag werkte hij en ’s avonds ging hij naar school. Of hij maakte huiswerk. Voor zijn neus lagen boeken en mappen en stapels losse papieren. Hij zat in elkaar gedoken. Een pluk van zijn zwarte haar kwam tot de bovenkant van zijn bril. Zijn gezicht was bruin als altijd, zelfs in de winter. Ik leek op mama. Donkerblond haar, bleke huid. Iedere keer dat ik hoestte klemde papa zijn lippen op elkaar en keek me aan over zijn bril. Het had hetzelfde effect op me als een spin in mijn nek. Dat kijken duurde nog geen seconde, misschien zelfs geen halve. Het was lang genoeg om duidelijk te maken dat ik moest doen wat hij wilde. In dit geval dat ik niet moest doen wat hij niet wilde. Mama keek hij ook vaak op die manier aan. Zij noemde die blik De Smoel.

      Ik leunde met de stoel achterover tegen de muur en telde vliegtuigstrepen in de lucht. Zes. Waterdamp van de vliegtuigmotoren veroorzaakt ze. Als de lucht droog is, lossen de strepen snel op en verandert het weer voorlopig niet. Papa had het me allemaal uitgelegd. Vorige week liet hij me zien hoe ik mijn evenwicht kon bewaren om niet van de smalle plank over de sloot te vallen. Ik beet op de nagel van mijn duim. Met mijn hoektanden, want mijn enig overgebleven voortand zat los. Eergisteren was ik de andere verloren toen ik een hap uit een appel nam. Ik wilde er niet bijlopen als mijn vriendinnetje Stella. Wanneer ze lachte, zag je een donker gat in haar mond. Bij mij was er een nieuwe tand aan het groeien. Als ik er met mijn tong over gleed, voelde ik een hard puntje.

      Ik spuugde het randje duimnagel uit. Mama probeerde er alles aan te doen om mij van het nagelbijten af te helpen. Ze streek er een smerig goedje op. Op iedere vinger plakte ze pleisters die ik er even snel van afpeuterde. Mama beloofde dat ik de spijkerbroek uit de etalage van Van de Ven zou krijgen wanneer ik een week geen nagels had gebeten. Niets hielp. Ik wilde er zelf ook mee stoppen hoor, maar het lukte niet. Dan zat ik ineens met een vinger in mijn mond.

      Papa keek me aan. ‘Kitty, hou op met dat smerige gedoe.’ Ik begon aan wat over was van de nagel van mijn wijsvinger. De vliegtuigstreep boven de kerktoren bracht het aantal op zeven.

      ‘Ben jij doof? En zet de stoel op vier poten, straks val je en dan is het huilen geblazen.’

      Ik tikte op de zitting de maat mee van een liedje op de radio.

      ‘Kappen. Zo kan ik mijn aandacht er niet bijhouden.’

      ‘Eén kopje koffie,’ zong ik. Met een beetje geluk maakte mijn zangkunst hem iets liever.

      ‘Moet ik mijn pantoffel uitdoen?’ Hij sloeg niet vaak. Als het ervan kwam, had ik minstens een halfuur een zere bips. Wat precies zijn bedoeling was. Hij sloeg nooit met zijn blote hand, want dan had hij er zelf ook last van.

      Uit het slaapkamerraam klonk een gil. Ik dook in elkaar. Mama zei dat het pijn doet als je een baby krijgt en dat je de pijn vergeet zodra het kindje is geboren. Ik geloofde er helemaal niets van. ‘Frank,’ hoorde ik mama krijsen. Ik duwde mijn vingers in mijn oren en begon luid te zingen. Papa streek met zijn hand door mijn haar en ging naar binnen. Boven bleef het rustig. Ik wachtte tot iemand mij riep of tot ik de baby hoorde huilen zodat ik wist dat hij er was. Of zij. Mijn nek deed pijn van het omhoog kijken.

      Papa kwam naar buiten. ‘Loos alarm.’ Hij ging aan tafel zitten en pakte een vel papier van de stapel voor zijn neus. Mama gilde het opnieuw uit. Ik kon het niet meer verdragen. ‘Mag ik naar de ooms?’

      ‘Die zijn op hun werk.’

      Twee tuinen verder hoorde ik mijn vriendje Gijs en zijn zusje Melissa ruzie maken. ‘Mag ik naar Gijs?’

      ‘Je broertje of zusje kan ieder moment komen.’

      Er vlogen wel tien vliegtuigen over. In de boom achterin begon een vogel te fluiten. Ik ging met mijn rug naar papa zitten, zodat hij niet kon zien dat ik aan mijn nagels zat te kluiven. Waar mijn vinger bloedde, voelde ik een kloppende pijn. Ik wist dat het morgen over zou zijn. Eigenlijk was het net zoiets als de pijn die je had wanneer je een baby kreeg.

      Papa belde de frituur. Of Gijs alles kon afleveren, dan mocht hij mee-eten. Een kwartier later liep mijn buurjongen de tuin in met de friet en kroketten uit de frituur van zijn ouders. ‘Hoi Kittekat.’ Hij zette het papieren tasje op de tafel en haalde er twee zakken uit. Papa verdeelde de friet en snacks over de borden die ik eerder uit de keuken had gepakt. Gijs kwam naast me zitten. Hij smakte op zijn kauwgum.

      Papa maakte een snuivend geluid. ‘Doe je een koe na?’

      Gijs wist niet hoe snel hij de kauwgum tussen mama’s rozenstruiken moest spugen.

      Ik prikte met mijn vork in de frieten op mijn bord.

      ‘Zit niet met je eten te spelen,’ zei papa.

      ‘Ik heb geen honger.’ Hoe bestond het dat hij een kroket in twee happen naar binnen kon werken terwijl mama zo veel pijn had. Ze vloekte erop los. Dat deed ze anders nooit. De verloskundige stak haar hoofd uit het raam en riep dat het niet lang meer zou duren, ze kon het hoofdje al zien. Papa ging naar binnen. ‘Ik roep wel zodra de baby er is.’ 

      Gijs haalde een plastic fototoestel uit het papieren tasje. Hij kon er echte foto’s mee maken die hij samen met zijn vader in een donkere kast afdrukte. Veel soeps vond ik ze niet. Vorige week liet hij me een foto zien van zijn zus die een hap van een frikandel nam terwijl de mayonaise van haar hand droop. En hij had er een paar gemaakt van de verroeste fiets van zijn moeder. Dat was toch allemaal hartstikke belachelijk? Iedere keer dat ik hem zag, moest ik aanhoren dat hij later een beroemde fotograaf zou worden. Nou, echt niet.

      Hij nam een foto van de borden friet. En van mijn bloedende wijsvinger met een smal reepje nagel. Toen richtte hij de camera op zijn eigen voeten naast de opengescheurde lege frietzak op de tafel. Hij droeg sandalen. De nagels van zijn tenen waren te lang. Die van mij niet, ik was zo lenig dat ik ze gemakkelijk kon afbijten. Dat deed ik wanneer niemand het kon zien. Anders greep papa zijn pantoffel of pakte mama me bij mijn arm en zei dat ik er ziek van kon worden.

      Gijs trok mijn bord naar zich toe en at het leeg. Daarna dat van papa. Hij was een echte Hollebolle Gijs. Net als ik. Daarom kreeg ik van mama maar een keer per maand friet. Een paar keer per week ging ik met Gijs naar de frituur van zijn ouders. Zijn moeder gaf me een kroket of een kaassoufflé. ‘Thuis niets zeggen hoor,’ fluisterde ze dan.

      ‘Ik ga naar huis.’ Gijs schoof zijn stoel achteruit.

      ‘Er is nog yoghurt.’

      ‘Moet ik niet.’

      ‘Wil je niet wachten tot de baby er is?’

      ‘Nee.’ Soms was Gijs gierig met woorden. Hij nam een foto van het open raam, daar kwam een serie vloeken uit. Dacht hij dat hij ook geluid kon fotograferen? ‘Nou houdoe-ee, Kittekat.’

      Ik duwde de tanden van mijn vork in het houten tafelblad en trok rijen van vier strepen. Het hout was keihard en al snel kreeg ik zere vingers omdat ik zo hard moest duwen. Ik sloeg mijn armen over elkaar alsof ik op school voor straf na moest blijven.

      Maanden geleden zei mama dat er een kleintje op komst was. Ze legde uit dat de baby in haar buik zat en vroeg of ik een zusje of een broertje wilde. Ik moest aan Gijs denken. Hij was negen. Je zou niet zeggen dat hij een jaar ouder was dan ik. Soms deed hij zó stom. Neem mijn verjaardag. Ik zou met oom Joop en oom Tom naar de speeltuin over de grens gaan. Stella en haar moeder vierden Koninginnedag in de stad. Stella speelde alleen met Gijs en mij als ze niemand anders kon vinden. Gijs mocht met de ooms en mij mee. Hij zat zich thuis te vervelen, zijn ouders hadden het druk op Koninginnedag. Zelf noemde ik die dag natuurlijk Kittedag. We waren een kwartier in de speeltuin. Gijs klauterde een halfrond klimrek op. Een jongen stapte achteruit op Gijs’ handen. Als hij nou gewoon zijn tong binnenboord had gehouden, was er niets aan de hand geweest. Maar zoals altijd stak de punt tussen zijn tanden uit. Ik had al zo vaak gezegd dat hij er met die tong uit zijn mond uitzag als een debiel. Daar trok hij zich niets van aan. Hij wist niet waarom hij dat deed, die tong uit zijn mond. Mama zei dat het net zoiets was als mijn nagelbijten. Dat had ik ook niet altijd in de gaten. Gijs landde met zijn kin op het klimrek. Hij beet zijn tong bijna in tweeën. Een paar dagen was zijn tong zo dik dat hij alleen pap door een rietje kon opzuigen. Het goede nieuws was dat hij twee kilo afviel en dat hij sinds die dag zijn tong binnenboord hield.

      Melissa was twaalf. Als Gijs iets uithaalde, zei ze altijd dat hij stom en kinderachtig was en dat alle jongens stom en kinderachtig waren. En daarom wilde ik een zusje.

      Eindelijk verscheen papa’s hoofd in het slaapkamerraam. ‘De baby is er.’

      Bij de slaapkamerdeur legde de verloskundige een wijsvinger op haar mond, zodat ik wist dat ik stil moest zijn. Mama lag in bed met een wit gezicht en donkere kringen om haar ogen. Ze hield de baby in haar armen. ‘We hebben er lang op moeten wachten, maar hier is Micky.’ Mijn nieuwe zusje maakte pruttelende geluidjes met haar poppenmondje. Ze had donker haar, net als papa. Op haar voorhoofd zat een veeg vettig spul.

      Papa stond achter me en legde een hand op mijn hoofd. ‘Nu is mijn geluk compleet. Twee zonnemeisjes. Als grote zus moet jij goed op Micky passen. Beloof je dat?’

      Zolang ik in de buurt was, zou Micky haar tong niet in tweeën bijten en niet zomaar de weg oversteken. En ik zou haar beschermen tegen mannen die de slechte dingen deden waar mama en papa me altijd voor waarschuwden.

Scroll naar boven